Veerhuis | Pieter Kooistra
21763
page-template-default,page,page-id-21763,ajax_updown_fade,page_not_loaded,,select-child-theme-ver-1.0.0,select-theme-ver-1.3,wpb-js-composer js-comp-ver-4.12.1,vc_responsive

PIETER KOOISTRA. 1922-1998

Schilder, graficus, fotograaf, beeldhouwer, schrijver en filosoof te Varik

Door Wim Veerman

Personalia

Pieter Kooistra werd op 24 juni 1922 te Leeuwarden geboren als jongste kind als   in het gezin van vader Broer Kooistra (* Leeuwarden, 18 augustus 1881. † 29 maart 1962), van beroep zuivelbewerker en moeder Antje Dijkstra (* Leeuwarden,10 augustus 1880. † 17 november 1969), van beroep naaister. Na hun huwelijk te Leeuwarden op 6 augustus 1910 kreeg het gezin drie kinderen. Een dochter Marijke (*1912. † 1962) een dochter Baukje, (*1914. †1926)  en tenslotte zoon Pieter. Deze laatste huwde driemaal. De eerste keer met Doutze de Vries  te Sneek in 1947. Hij bekeerde zich gedurende dat huwelijk tot het Gereformeerde geloof. In later jaren heeft hij daar bewust afstand van genomen, zonder overigens het geloof in een hoger ‘iets’ te ontkennen. Nadat dit eerste huwelijk gestrand was ontmoette hij in 1958 Gre Mannes, waarmee hij in 1960 trouwde. Ook dit huwelijk liep stuk in 1966. Eind zestiger jaren leerde hij Rosalie J. de Neve kennen waarmee hij trouwde. Maar ook dit huwelijk werd in 1977 ontbonden.  De huwelijken bleven kinderloos.  Na aanvankelijk lange tijd in Amsterdam gewoond te hebben, vestigde hij zich midden 70-er jaren in het in 1972 door hem gekochte oude veerhuis aan de Waaldijk te Varik. Pieter  is op 5 mei 1998 in het ziekenhuis te Tiel overleden.

 

Jeugd en opleiding.

Pieter groeide op in een degelijk SDAP-gezin, waarin een bijna religieus-socialistische overtuiging het dagelijks leven beheerste. Vader, een vriendelijke zachtaardige man, die nog als klein kind bij de socialistische voorman Pieter Jelle Troelstra op schoot had gezeten, was o.a. een aantal jaren voorzitter van de Friese zuivelarbeidersbond. Moeder  overheerste het gehele gezin en was fervent feministe en o.a. voorzitster van de Leeuwardense Vrouwenbond. Pieter wilde altijd al kunstenaar worden, maar daar waren zijn ouders geen voorstander van.  Van 1929 tot 1934 doorliep hij de Openbare Lagere school nr. 13a te Leeuwarden en in 1934/1935 de Gemeenteschool 2.  Daarna ging hij naar de  Gemeentelijke 5-jarige HBS. Daar deed hij geen eindexamen, maar kreeg in 1938 een getuigschrift voor de drie jaar gevolgde HBS. Op zijn 16e begon hij serieus te schilderen, niet omdat hij zich daartoe geroepen voelde, maar omdat hij in ernstige mate aan chronische bronchitis  leed en daardoor vaak bedlegerig was en eigenlijk niets kon doen. Totdat de overbuurman, een aan zijn ouders bevriend Leeuwarder kunstenaar, hem schildermateriaal gaf om bezig te zijn. Daarnaast had hij zich op het eind van de dertiger en het begin van de veertiger jaren verdiept in de chiromantie (handlijn leeskunde)en ging dat ook toepassen, waardoor hij wat eigen inkomsten kon verwerven. Daarin was hij vooral in de oorlogsjaren actief en deed dit nog incidenteel tot in de vijftiger jaren. Gedurende drie oorlogsjaren moest hij vanwege zijn longaandoening in bed blijven. In die periode las hij veel en begon actiever te tekenen en te schilderen.  In 1945 kreeg hij een ernstige longbloeding, die hem op het randje van de dood bracht. Deze bijna doodervaring had ingrijpende gevolgen voor zijn verdere geestelijke en spirituele ontwikkeling. In 1947 vertrok hij naar Amsterdam om zich daar als beeldend kunstenaar te vestigen. Daar bezocht hij in 1955 slechts een jaar de Rijks Kunstacademie. Zijn opvattingen over de inhoudelijkheid van kunst en het functioneren daarvan in de samenleving, strookten niet met de op de opleiding heersende opvattingen en cultuur, waarna hij als autodidactisch kunstenaar verder ging.

 

‘Vakantie- en Cultuurgemeenschap De Gavere’ op Terschelling.

In 1949 kocht hij met geld van zijn eerste vrouw op Terschelling bij het Formérum-strand een door de Duitsers in het 6 ha. groot duingebied ‘De Gavere’ aangelegd bunkercomplex. Met behulp van familie, vrienden en studenten werden de lege bunkers verbouwd tot vakantieoord op sociaal-culturele, enigszins antroposofische grondslag. Het werd bestuurd door een gelijknamige stichting die in Amsterdam in het huisadres van Pieter was gevestigd. Men kon ook donateur worden. Naast de eigenlijke vakantiebesteding was er de mogelijkheid deel te nemen aan discussie- en filmavonden, volksdans, concerten en exposities van werkstukken in de eetzaal van het complex, door jonge, meestal Amsterdamse kunstenaars, vaak eveneens gasten. De gasten konden verblijven in verschillende zaaltjes of tenten. Ook met een eigen tent was men welkom. Zondagsavonds werd uit de gasten een kampraad gekozen voor de komende week. Men kon er voor fl. 2,50 per dag eten en slapen. Dat was niet duur, maar  het was er ook redelijk primitief ingericht. Er kwamen dan ook wel eens klachten binnen bij het VVV. Zo was er eens een klacht dat er te weinig vlees in het eten zat en werd Pieter bij het College van B&W op het matje geroepen. Zij deelden hem ooit mede ‘je moet aan het eten denken, cultuur is niet belangrijk’. Er kwamen al snel bijzondere gasten/kunstenaars, als de Amsterdammers Jan Sierhuis, Eugène Brands, Jef Diederen, Lei Molin, Otto Treuman en Ger Lataster. Museumdirecteur jonkheer Willem Sandberg was met zijn gezin een regelmatige gast. Een bijzonder aspect was dat er vanaf 1952 de mogelijkheid was maandelijks tegen een acceptabele vergoeding beeldende kunst te lenen. Daarmee gaf hij invulling aan zijn ideaal kunst dichtbij de mensen te brengen. In speciale kisten werden zelfs op den duur de vervaardigde kunstwerken, voornamelijk grafische werken, door het hele land uitgeleend.  Vanaf Terschelling werd het per post verstuurd en/of door hem en bevriende kunstenaars naar Pieters Amsterdamse woonhuis vervoerd en van daar uit o.a. op de fiets of met een bakfiets door hem en andere jonge kunstenaars bij de in eerste instantie voornamelijk Amsterdamse leners afgeleverd. In 1955 bleek de opzet van de vakantiestichting  te idealistisch en werd ze opgeheven en het complex in delen verkocht. Het belang van Pieter Kooistra’s culturele vakantiecentrum ‘De Gavere’ en de uiteindelijk daaruit voortgevloeide landelijke kunstuitleen, werd bij het Terschellingse Oerol festival van 1989 nog eens benadrukt. Beeldende kunst was toen voor het eerst onderdeel van dit festival, met een expositie in het kerkje van Midlands, waarin ook een overzicht van Pieter Kooistra’s beeldende kunst en de start van de uitleenactiviteiten werd geëxposeerd.

 

Kunstuitleen en de Stichting Beeldende Kunst

De vanuit ‘De Gavere’ gestarte eenvoudige kunstuitleen werd in de Amsterdamse kelder van zijn woonhuis aan de Saxen Weimarlaan verder ontwikkeld. En in samenwerking met o.a. Willem Sandberg en Hans Redeker, de toenmalige kunstcriticus van het Algemeen Handelsblad, werd op 22 november 1955 in Amsterdam de (SBK) Stichting Beeldende Kunst opgericht. Daardoor kreeg de door Pieter eenvoudig opgezette kunstuitleen een wat bredere en formelere basis, waardoor hij zijn ideaal van sociale kunstspreiding meer realistisch vorm kon geven. Door die bredere opzet konden naast individuele burgers, nu ook bedrijven hieraan deelnemen.  Pieter verhuisde zijn uitleencentrum naar een verbouwde speelgoedwinkel en ging de kunst van daaruit uitlenen en niet meer rondbrengen, c.q. sturen. Dat alles gebeurde zonder subsidie en er was vanuit de gevestigde Amsterdamse kunstwereld veel kritiek. Men vond dat kunst gekocht moest worden en niet verhuurd. Dat veranderde in 1965 toen hij van de gemeente Amsterdam  fl. 10.000,- subsidie kreeg voor de leenvergoedingen aan de kunstenaars. Door het inmiddels alom erkende succes van de opzet van zijn kunstuitleen, kreeg Pieter op verzoek van en gesubsidieerd door het Ministerie van CRM de opdracht door het gehele land te helpen kunstuitleen bureaus op te zetten. In de 80-er jaren brak hij met de SBK, door diepgaande meningsverschillen over het gevoerde beleid, o.a. in verband met plannen te komen tot een samenvoeging met bestaande artotheken. Hij richtte in 1980 in Amsterdam de Stichting Nieuw Perspectief op, die zich in het bijzonder richtte op de uitleen van collecties aan bedrijven en promotie maakte voor jonge kunstenaars.

Zie ook deze film vanaf ongeveer de 38ste minuut

 

De kunstenaar

Tussen 1945 en 1948 had Pieter een eigen atelier in Leeuwarden en bleef in leven door de verkoop van zijn werk en zijn activiteiten als handleeskundige. Hij had het in die tijd financieel niet breed. In Leeuwarden was hij een der eersten, die door baard en haargroei, op straat zich als kunstenaar kenbaar maakte. Maar na zijn vestiging in Amsterdam en op Terschelling bloeide hij op, al bleef het moeizaam om rond te komen. Pieter Kooistra werkte in een expressionistisch-fauvistische stijl met olieverf, acryl, oliekrijt of inkt en gebruikte naast de kwast ook zijn vingers om een bepaalde gevoeligheid in kleur en aanzet te verkrijgen. Zijn onderwerpen waren toen in zijn schilder- en tekenwerk voornamelijk landschappen en non-figuratief werk. Ook experimenteerde hij met nieuwe technieken en kunststoffen. Zo tekende hij met verf op een glasplaat en drukte dat daarna af op papier. Hij noemde dit een monotype. Door er meerdere zwakke afdrukken van te maken noemde hij dat een variadruk. Tot aan zijn overlijden ging hij zijn eigen weg, wars van de bestaande modeverschijnselen in de kunstwereld. Een bijzonder ervaring deed hij op tijdens de grote watersnood van 1953. Hij wilde ter ondersteuning van het inmiddels opgerichte rampenfonds het rampgebied per helikopter bezoeken en in het overstroomde gebied tekeningen van de ramp maken. Hij kreeg na aanvankelijke weigering toch van de autoriteiten de daarvoor benodigde vergunningen. Al op 5 februari ging hij op stap. Hij heeft daarvan een dagboek bijgehouden en heeft enkele tientallen, soms aangrijpende schetsen kunnen maken op plaatsen, waar normaliter in die situatie niemand mocht komen. In 2002 zijn die schetsen en het dagboek uitgegeven door de Stichting Kunstuitleen Zeeland in samenwerking met de Stichting UNO-Inkomen.  Pieter had ook een grote passie voor fotografie en was o.a. een der oprichters van de GKF, een beroepsvereniging voor fotografen.  In de 50 en 60-er jaren organiseerde hij stereoprojecties, waarbij de deelnemers een kartonnen brilletje kregen uitgereikt om het stereo-effect te kunnen beleven. Hij was zeer geïnteresseerd in het vrouwelijke naakt als product van de schepping en heeft daar duizenden esthetische (detail)foto’s van gemaakt, waarvoor zijn echtgenotes of ingehuurde personen poseerden. Hij was ook liefhebber van ballet en had bij het Nationaal Ballet en andere balletgroepen in Amsterdam speciale toestemming gekregen te fotograferen. Ook daarvan zijn duizenden opnamen gemaakt van  repetities en uitvoeringen en individuele dansers en danseressen. Het overgrote deel van dat fotowerk is vervaardigd in zwart-wit kleinbeeldopnamen. Gedurende zijn kunstuitleen periode heeft hij een aantal fotografische portretten van jonge Amsterdamse kunstenaars gemaakt. Hij behield zijn banden met zijn Friese achtergrond, o.a. door vanaf 1956 t/m 1960 jaarlijks met andere Friese kunstenaars te exposeren bij de Leeuwardense kunsthandel van Aiko van Hulsen.  Regelmatig nam hij vanaf 1968 deel aan exposities bij Kunsthandel Vlieger in Amsterdam onder de vlag van de SBK. Zijn eerste expositie in die galerie had als thema ‘Abstracte schilderijen en concrete naaktfoto’s’ en het was de eerste expositie in tien jaar van hem met alleen eigen werk. In de loop der jaren nam hij deel aan verschillende exposities in binnen- en buitenland. O.a. in Keulen, Gent, Ascona, Philadelphia (USA) en Antwerpen. Veel van zijn werk bevindt zich tegenwoordig in particuliere collecties in vijf werelddelen. Naast zijn schilder- en grafische werk maakte hij ook kleine en grote, meestal abstracte beelden en wandobjecten in opdracht van gemeenten en bedrijven, o.a. te Amsterdam, Tiel, Eindhoven, Emmeloord, Utrecht, Drunen, Houten, Culemborg, Weesp, Eindhoven en Zutphen. Zoals het bij een inleiding op een tentoonstelling werd weergegeven trachtte hij daarbij ‘de onverenigbare polen van dynamiek en stilte te verenigen in een evenwicht, die boven de vorm uitstijgt. In zijn beelden komt dit tot uitdrukking in een strakke architectonische, maar associatieve ritmiek, met bewuste zelfbeperking in vorm en materiaal’. De twaalf  geometrisch-abstracte messing/aluminiumbeelden die in 1978 als beeldenroute ‘Straatbeeld’ in Tiel werden geplaatst, waren daarvan een sprekend voorbeeld. Van die beelden zijn er overigens nog maar twee aanwezig. Beeldenroutes met zijn werk werden overigens ook in Amsterdam, Alphen a/d/ Rijn en Ridderkerk verwezenlijkt.

 

Varik en de Stichting UNO-inkomen

Pieter was de Amsterdamse kunstwereld enigszins beu en zocht rust om zijn ideeën meer vorm te kunnen geven. Hij kwam in de Betuwe terecht en kocht in 1972 het Veerhuis aan de Waaldijk te Varik en richtte daar zijn atelier in. In de eerste jaren bracht hij daar ongeveer 40% van zijn tijd in zijn atelier door. Later woonde en werkte hij er permanent. Op een avond in 1974 zag hij daar op de televisie een hem aangrijpende rapportage over hongersnood in India. De schrijnende beelden grepen hem zo sterk aan dat hij besloot te helpen, om in die ellende verandering te brengen en daaraan zijn energie en kunst beschikbaar te stellen. Het werd zijn levenswerk. Daartoe richtte hij  in datzelfde jaar ‘Het ideale eigenbelang’ op dat uiteindelijk op 14 april 1983 de ‘Stichting UNO-inkomen voor alle mensen’ werd, waarin de plannen van Pieter om te komen tot een zichzelf financierend wereldbasisinkomen engelse versie vorm gegeven konden worden (voor NL-versie klik hier). In de tekst van Lisinka Ulatowska vind je een nadere uitleg. Het valt buiten het kader van dit artikel hierop dieper in te gaan, maar het komt er op neer, dat Pieter na jaren zelfstudie tot de conclusie was gekomen dat de armoede en de honger eigenlijk eenvoudig verholpen konden worden. Daarover schreef hij twee boeken. ‘Voor, als basisinkomen voor alle mensen’  in 1983, over sociocratie en ‘Het ideale eigenbelang’ , uitgegeven in 1993. Voor een deel financierde hij deze uitgaven met zijn kunst, waarvan de ‘evoluons’ het meest spraakmakend waren. Met de door hem ontwikkelde  evoluongrafiek bracht Pieter het gescheiden denk- en gevoelsleven van de mensheid tot uitdrukking. Honderden particulieren en bedrijven verwierven exemplaren van dit bijzondere kunstwerk, dat bestaat uit een door de kunstenaar vervaardigde gekleurde schijf, door middel van een magneet aangebracht op een eveneens door de kunstenaar vervaardigd vierkant. Achter het vierkante kunstwerk is een uurwerk aanwezig waaraan, op de plaats van de wijzers, de rond schijf met een magneet bevestigd wordt, waardoor het totale beeld, ronddraaiend 60 maal per minuut veranderd. Het kunstwerk werd met zeven verwisselbare kleurschijven geleverd. Hij schreef tientallen artikelen, maakte films en documentaires over het (zijn) gedachtegoed. De ‘grote machthebbers’ in de wereld kregen zijn boeken toegezonden en hij zette een groot project op die in verschillende wereldtalen over te laten zetten. In het land hield hij tientallen lezingen over zijn idealen, zoals verwoord in zijn boeken. Zijn overlijden maakte abrupt een einde aan zijn activiteiten. De stichting UNO-inkomen voor alle mensen werd universeel erfgenaam van zijn bezittingen na zijn overlijden in 1998.

 

De mens

Pieter vertelde dat hij zijn hele leven het gevoel had, dat hij bij niemand hoorde en gek genoeg tegelijker tijd bij iedereen. Dat verklaart zijn sociale betrokkenheid bij alles wat naar zijn gevoel onrechtvaardig was. Het is dan niet te verwonderen dat hij zich samen met de eveneens Varikse kunstenaar en goede vriend Willem den Ouden verzette tegen de manier waarop de dijkverzwaring langs de Waal werd uitgevoerd, waarmee ook zijn woning in aanraking zou komen. Zijn gehele leven als kunstenaar had hij het gevoel gehad dat een kunstwerk een middel was tot bewustwording van eenheid in verscheidenheid, zoals het leven zelf is en wilde dit ideaal dichter bij de gewone mensen brengen. Als schrijver legde hij bijna dagelijks zijn ideeën en gedachten over allerlei maatschappelijke waarden en normen in honderden gedichten en opgeschreven gedachtespinsels vast. Hij bleef tot op zijn sterfbed schrijven. Hij stierf in het ziekenhuis te Tiel aan een longbloeding op Bevrijdingsdag 5 mei 1998.  De vrouw met wie hij de laatste tien maanden van zijn leven een innige relatie had opgebouwd, Anna van Wonderen, was onafgebroken aan zijn zijde geweest.  Via haar deelde hij zijn laatste wensen en inzichten mee. Schrijvend in de lucht, op papier en op zijn laken. Zijn as werd  ingevolge zijn wens door naaste vrienden respectvol over de Waal tegenover zijn geliefde Veerhuis uitgestrooid op 24 juni, de dag waarop hij 76 zou zijn geworden. Het past in de filosofie van Pieter Kooistra dat de stichting zijn geestelijk erfgoed, zoals dat door hem zelf uitgebreid is vastgelegd in zijn archief, heeft ondergebracht in het Regionaal Archief Rivierenland, waar het ‘ten eeuwigen dage’ ter beschikking blijft voor allen die zijn gedachtegoed zijn toegedaan of daarnaar nieuwsgierig zijn geworden.

Beknopt overzicht van gehouden tentoonstellingen.

1956 t/m 1960.

November 1957.

Idem.

November 1965.

November/dec. 1968.

April/mei 1969.

Juli 1969.

April 1970.

Oktober/november 1970.

Maart/april 1971.

Maart 1972.

April/mei 1972.

Juni/juli 1972.

September 1972.

Oktober 1972.

Oktober/november 1972.

November/december 1972

April/mei 1983.

Oktober/november 1993.

Augustus/september 1995.

Leeuwarden. Kunsthandel Van Hulsen.

Brussel. Vlaamse Club voor Kunsten, Wetenschap en Letteren.

Gent. VTB-gebouw.

Philadelphia (USA). Contemporary Dutch Painters.

Amsterdam. Kunsthandel Vlieger. ‘Abstracte schilderijen en concrete naaktfoto’s’.

Ascona. Gallerie AAA. ‘5 Künstler aus Amsterdam’.

Köln. Internationale Sommerakademie des Tanzes. ‘Tanz und Szenenfoto’s’.

Made. Galerie De Buitelaar. ‘Tekeningen, schetsen, portretten en naaktfoto’s’.

Bergen op Zoom. ‘Schilderijen en kunstfoto’s’.

Amsterdam. Auberge les quatres canetons. ‘Naaktfoto’s’.

Köln. Studio Glaub II. ‘Rundungen’.

Amsterdam. N.V. Uitg. Mij. Diligentia. ‘Le Nu nu’.

Köln. Studio Glaub III.’Gemälde und Plastiken’.

Alphen a/d/ Rijn. Galerie Corné Rijlaarsdam. ‘Schilderijen, houten en metalen plastieken’.

Hilversum. VARA-studio. ‘Hout en ijzer plastieken, schilderijen en naaktfoto’s’.

Hulsberg. Galerie ’t boere höfke. ‘Plastieken, schilderijen en naaktfoto’s’.

Tiel. Cultureel Centrum De Agnietenhof. ‘Plastieken, schilderijen en naaktfoto’s’.

Rotterdam. Galerie Nieuw Rotterdams Peil.

Neerijnen. Expositie in het Stroomhuis.

Maarssen. Gebouw van het ILC.

Geraadpleegde bronnen

Hogeboom van Buggenum, H.; In memoriam Pieter Kooistra. Artikel in: Het ideale eigenbelang. Blad voor wereldburgers. 1998. Jrg. Vijf, nr. 1.

Kempers, P.; Hardnekkig en vastberaden, Vijftig jaar kunstuitleen. Een geschiedenis van de SBK Amsterdam. Amsterdam, 2005.

Mentink, H. Op weg naar groen geld, Kwartaalreeks Duurzaamheid Wijk bij Duurstede 1996